In 1894 stichtten de Dalerveense boeren hun eigen zuivelfabriek. Oorspronkelijk was het een N.V. met de melkleveranciers als aandeelhouders; later werd het een coöperatie. Ze gaven het nieuwe bedrijf de naam: “De Hoop”. Jan IJpelaar uit Borger werd benoemd tot directeur.
H. Boezen, A. Kip, E. Klinkhamer en L.Ziel waren de eerste bestuursleden.
In de volksmond werd de fabriek melkfabriek genoemd, maar in eerste instantie werd er voornamelijk boter geproduceerd.
Dat de melkveehouderij toen geen vetpot was blijkt uit de notulen van de bestuursvergaderingen. Er kwamen klachten over melkvervalsing. Sommige boeren werden betrapt op het aanlengen van de melk met water om zo voldoende “melk” aan te kunnen leveren. De boeren namen hiermee een groot risico. Als je betrapt werd kreeg je een boete. Die boetes waren vaak niet mals.
Met ingang van 1897 begon men bij veel fabrieken de boeren niet alleen naar de geleverde hoeveelheid melk uit te betalen maar ook naar het vetgehalte van de melk. Alleen de boterwaarde van de melk werd betaald, de onder- en karnemelk gingen gratis terug naar de boerderij en werd daar weer veel gebruikt als veevoer. 
Na verloop van tijd zag IJpelaar in dat de aangevoerde hoeveelheden melk niet voldoende waren om de fabriek rendabel te houden. Met het oog op de toekomst van “De Hoop” besloot IJpelaar veevoer te gaan verkopen. Goed voer zorgt voor goede melk. Vette melk zorgt voor betere kwaliteit van de boter
Jammer genoeg had Jan IJpelaar had een bijzondere voorliefde voor jenever en als de boeren ‘s zaterdags kwamen afrekenen, werd er een stevige borrel geschonken. Zo stevig dat de fabriek er schade van ging ondervinden en de directeur zijn taak niet meer aankon.
In 1914 besloot het bestuur van de fabriek na lang wikken en wegen Jan IJpelaar te ontslaan.
Johannes Veurink bleek een goede opvolger. Net als bij andere zuivelfabrieken besloot Veurink tot het bouwen van een malerij bij de zuivelfabriek. 
De malerij is zeker tot het midden van de jaren zestig nog actief geweest. Zowel in 1939 als in 1953 stond er een advertentie in “De Molenaar” waarin een bekwaam molenaar werd gevraagd.

Begin jaren vijftig werd Veurink opgevolgd door Willem Bakker die met zijn vrouw Marie de directeurswoning betrok.
Toen in 1969 de fabriek de zuivelproductie stopte bleef de verkoopafdeling van veevoer bestaan. Luuc Naber kwam in de voormalige directeurswoning te wonen en heeft nog tientallen jaren de veevoederafdeling gerund.